Ruimte voor afscheid - Vervuld van leven, bewogen door stilte

Ontvangen en loslaten

Na een lang sterfbed is begin september mijn enige tante overleden. Ze werd 89. In mijn vorige blog vertelde ik over mijn gevoelens van dankbaarheid. Doordat ze helder bleef ondanks haar steeds verdere lichamelijke achteruitgang was er alle ruimte om deze gevoelens naar haar toe te uiten en te zien ‘dat het aankwam’.  Dit was naast haar helderheid een van de twee andere factoren die dit afscheid tot een geschenk maakten ondanks de leegte nu en het gemis: haar talent om te kunnen ontvangen en om zich over te geven.

Martha, zo heet mijn tante, was in de afgelopen jaren van een vroeger wel vrijgevige en hulpvaardige, maar ook zeer eigenzinnige en vooral naar mijn moeder, haar oudere zus, en mij, haar nichtje, ronduit té harde en té kritische vrouw zachter geworden.

De laatste jaren was ze in het dagelijks leven nog steeds gehaast en wat afwezig door continu te lijden aan extreme rugpijn als gevolg van tbc opgelopen in de oorlogsjaren. Maar aan de telefoon, als ze thuis plat op haar rug kon liggen, was ze steeds vriendelijker geworden, lief en geïnteresseerd in ons en de kinderen. Achteraf zie ik dat dat zo een geluk is! Het maakte dat de liefde van mensen dichtbij naar haar nu vrijuit kon en kan stromen.

De afgelopen 20 jaar belde zij, die geen kinderen had, elk van ons neven en nichten en ook nog de drie kinderen van haar vroeger oppaskindje eens per week. Dat deed ze niet om aandacht te vragen, althans zo kwam het nooit over, maar om te kijken hoe het met ons ging en of wij en onze kinderen gezond waren. Ze bemoeide zich nergens mee en gaf nooit een advies. Achteraf valt me op hoe bijzonder dat was.

Ik heb het, sinds door het verlies van mijn kind de dood zo dichtbij was gekomen, erg jammer gevonden dat door de ruimtelijke afstand van 1100 km de kans heel klein was, dat ik het uitblazen van de laatste adem van mijn ouders in Oostenrijk mee zou maken. Ik ben jaloers op mensen die dichtbij hun ouders woonden en daar bij mochten zijn! Ik zelf was elke keer te laat. Ook nu weer bij mijn tante.

Maar achteraf gesproken merk ik dat ons de afstand ook juist een bijzondere kans gaf. Om de dag belde ik haar op (en meestal moest een medewerkster in het bejaardenhuis waar ze op laatst was, haar het toestel aangeven). En dan begroette ze me elke keer op dezelfde opgewekte toon, die mij de tranen in de ogen deed schieten: ‘Ja, grüsse dich, Beate! Wie geht’s euch denn?’ De tranen kwamen omdat het een wonder leek dat ze me elke keer weer herkende aan mijn stem (mijn naam noemde ik expres niet om haar geheugen te ‘testen’). En omdat ze al ‘ver weg’ was, teruggetrokken in het mij nog onbekende binnenste van de laatste weken in het leven -als we oud worden of de dood langzaam tegemoet gaan- was ik telkens weer verrast door de vraag naar ‘ons’, het deel van mijn leven waarvan ze wist, hoe onbewust ook, dat het om de essentie ging, mijn gezin. Door deze vraag alleen al maakte ze een bedding voor direct, intiem en persoonlijk contact.

Veel meer dan die twee zinnen kon ze niet meer zeggen en ze was ook nooit een grote prater geweest. Ik vertelde haar dan in het kort hoe wij het maakten. Na elke zin luisterde ik of ze er nog was. Dan hoorde ik haar ademen aan de andere kant van de lijn en soms vroeg ik of ze me nog kon horen. Dan zei ze, een beetje hijgend ‘ja!’. En omdat ik haar deze zomer eens per maand had opgezocht, wist ik hoe ze er bij lag als ze ‘ja’ zei. Na een paar minuten vroeg ik dan of ze moe was, of ik moest stoppen. Dan zei ze telkens ‘nee’. Zal ik doorgaan met praten? ‘Ja’, zei ze. Dan vertelde ik haar wat ik van haar geleerd had. En ik voelde dat ze dat fijn vond. Ze stond open voor mijn liefde en dankbaarheid. Zij die altijd gegeven had, was nu aan het ontvangen.

De fase dat ze na de begroetingszinnen nog slechts naar me luisterde, was achteraf de laatste. Tussendoor waren weken geweest dat ze telde en de tafel van twee oefende tot de duizend- wiskunde was haar lievelingsvak op school geweest- en daarna waren vele dagen geweest dat ze na de begroeting eindeloze monologen hield, in prachtig Duits, over volwassen moeten worden en verantwoordelijkheid nemen. En dan was dat opeens ook over, ze was blijkbaar klaar. Ze at nog enkele lepeltjes pudding of yoghurt en wachtte totdat de tijd kwam om te sterven.

Maar tot de een à laatste dag zei ze nog haar lieve zinnen, die mij steeds in de oren klinken: ‘Ja grüsse dich! Wie geht’s euch denn?’